zaterdag 10 februari 2018

Cultuurhistorie in Lhee

Verslag excursie zaterdag 10 februari 2018. Verzamelen bij parkeerplaats bij Astron.
De rondleidingen worden gegeven door Annemarie Blom en Janny van Meurs.

De groep werd gesplitst. Een groep liep richting Lhee en de andere groep onder leiding van Janny van Meurs ging richting Astron en de heide. De groep richting Lhee werd geleid door Annemarie Blom en reeds op het eerste stukje van de parkeerplaats richting Lhee zagen we heuveltjes in het bos. Deze zijn ontstaan als gevolg van het houden van schapen, waar de heide afgeplagd is en de plaggen gebruikt voor in de stallen. Als gevolg van afplagging kwam er weer stuifzand en ook doordat de schapen bepaalde, vaste paden liepen kreeg je uitholling en stuifzand.

Vervolgens kwamen we op de ZuidLheeder es. Hier waren volgens een kaart van 1832,  2 grafheuvels. Deze zijn niet meer te zien. Annemarie heeft met Guido grondboringen gedaan en hierbij vonden ze onder een dunne esdeklaag van 30 cm een cultuurlaag die volgens Guido gemengd was met plaggen. Er onder vonden ze een holtpotsellaag. De plaggen wijzen op een grafheuvel. Deze werden meestal gebouwd met plaggen. Op hoogtekaarten wordt aangegeven dat de Loobarg, de grafheuvel, 3,5 meter hoog zou zijn geweest. Later is de grond van de heuvel gebruikt om de weg die in de laagte ligt op te hogen. Op de kaart van 1900 is nog maar één grafheuvel te zien.

Annemarie vertelde dat er 5000 jaar geleden al geboerd werd op deze es. Deze ligt, ook zonder dat er potstalmest opgebracht was, hoger. Dus droger. En bij deze hoge akkers werd gewoond. Ook moet er water in de buurt zijn. De boeren hadden geen vaste behuizing maar verhuizen van tijd tot tijd. Op de plaats waar men eerst dan woonde was er vruchtbare grond achtergebleven en deze gebruikte men dan weer als akker. De wende akkers zijn de akkers of het gedeelte van de akker waar men draaide met het paard en of wagen.

Bij opgravingen vlakbij de es vond men 2 trechterbekers van ongeveer 5000 jaar oud.
2000 Tot 1000 jaar geleden begon men met proto-es. Men had dan vierkante grote stukken land met het huis midden op de akker. Men maakte omheiningen van takken, gevlochten hagen.
Na een tijd van oorlog kwam Karel de Grote aan de macht. Hij verordende dat men niet meer mocht verhuizen. Vanaf dat moment kozen de bewoners van Lhee een vast woonplaats. Men kreeg een stuk land en binnen dat stuk mocht men wel verhuizen. Dit was omdat men dan te vinden was voor de belasting. Verder moest men Christen worden, en mocht men geen grafgiften meer meegeven met de doden. Dit leverde een grotere welvaart op.





Er waren 11 boeren in Lhee die een boerderij met erf startten. Ongeveer 900 jaar na Christus.
We lopen verder het dorp in en bij de Thiesakker laat Annemarie een Franse kaart zien uit 1811.
Hierop is te zien dat er verschillende boerderijen staan, langs de rand van de Zuid- en Noord Lheeder es. Vanaf de Dwingelderstroom tot aan Lhee, was het stroomdal wat heel vruchtbaar was. En wat men door middel van een schut kon laten bevloeien met water. Verderop ligt het helveen.  Hierkomt kalkrijk kwelwater naar boven en op de huidige brink in Lhee heeft ooit een boortorentje gestaan. Echter zonder succes.




We lopen verder naar de graanspieker. Dit een een opslag voor graan en boter ten behoeve van de belasting of pacht voor de bisschop. Er is alleen nog een soort kelder gemaakt van veldkeien te zien. De ingang zit noord-west. Er boven moet een soort opslagruimte gebouwd geweest zijn, waarbij het graan muisvrij bewaard kon worden.

Het tweede gedeelte van de excursie met Janny van Meurs gaat richting de heide. Via een pad door het bos komen we aan de rand van de heide ter hoogte van de radiotelescoop. Bij de telescoop is een adderwal. Deze ligt gericht op het zuiden en warmt dus snel op. Hier zijn in het voorjaar vaak zonnende adders te vinden.

In de verte zien we de Davidsplassen. Deze liggen ten opzichte van het pad waar wij op staan, hoger.
Het water blijft hierop staan doordat er een vrijwel ondoordringbare keileem laag onder zit.
We lopen door een gebied waar jeneverbesbossen groeien. Dit zijn pioniersplanten, die er zijn gaan groeien na dat men de schapen niet meer vrij op de heide liet grazen. We komen bij het Smitsveen langs. Dit is een pingo-ruïne.

Vervolgens komen wij bij twee grafheuvels. Deze zijn ontstaan in de bronstijd. 2000 voor tot 800 na christus. In de grafheuvel heeft van Griffen, dé archeoloog in Drenthe, 2 boomkisten en een bronzen naald gevonden. Hij heeft de grafheuvels onderzocht via de kwadrant uitgraving, waarbij niet de hele grafheuvel overhoop wordt gehaald. Om deze grafheuvels werden meestal een palissade omheining geplaatst.  De grafheuvels waren meestal van een familie.

In deze tijd ging men in grotere boerderijen wonen waarbij het vee onderdak kwam. De mest van de koeien ging men gebruiken op de akkers. Men vermoed dat er een volk uit de Oekraïne richting ons gebied is getrokken en dat onze taal daar ook vanaf stamt. De indo-europese taal. Het gebruik van melk en melkprodukten stamt ook van deze tijd.

Hierop volgend kwam de ijzertijd. Het werd veel gestructureerder. De boerderijen werden weer kleiner met meer bijgebouwen. Men maakte akkers van 30 bij 30 meter met walletjes. Raatakkers. Men hield naast koeien ook varkens.  Men begroef de doden niet maar cremeerde. En plaatste daarna de urn in een grafheuvel. Deze heuvels zijn veel kleiner dan de grafheuvels uit de bronstijd.
De tijd is om, de geschiedenis is nog lang niet klaar. Immers elke dag weer nieuwe.


zaterdag 27 januari 2018

Excursie op het Holtingerveld en de Havelterberg

Naar aanleiding van de theorieavond  (24-1) over  Geologie hebben wij een bezoek gebracht aan de bovengenoemde terreinen. Wij hebben ons verzameld op Parkeerplaats “Toegangspoort Holtingerveld”. Hierna werden wij gesplitst in 2 groepen: De ene groep ging met Jan mee en de andere groep ging met Guido mee.  Er werd vermeld dat wij een bezoek zouden gaan brengen bij “de ronde cirkel” en de hunebedden. Het was mooi zacht en droog weer, kortom ideale omstandigheden.
Wij werden gewezen  op het bezoekerscentrum in aanbouw en  op de schaapskooi. Verder is er een kinderspeel/beleefplaats met Wigwams. Verder liepen wij langs een aantal heuvels waarvan Guido ons vertelde dat het verborgen Hangars van de Duitsers zijn die overgebleven zijn uit de 2e wereldoorlog. Deze zijn allemaal met de schop gemaakt.  Verder liggen  er in dit gebied veel bomkraters, welke allemaal een soort kleine vennetjes zijn en  bijna nooit droog staan en ook niet instorten en dicht groeien doordat de bodem van keileem is.

De Havelterberg is een stuwwal die opgestuwd is door een Gletsjer. Hier boven op kun je nog een grasland met diverse bijzondere planten, waaronder Orchideeen , vinden, verder vind je er veel bos. Op de helling  naar beneden stond een NIVON-huis. Daarna zijn wij het zandpad in het gletsjerdal  opgelopen, daar kun je stenen van diverse grootte vinden:  Erosiemateriaal achtergebleven  in de ijstijd (Saalien). De onderste stenen zijn door de enorme druk van de ijsmassa vermalen, de stenen die ergens in het midden of bovenin mee stroomden zijn minder gesleten. Gletsjers vonden op hun reis op de lagere plekken minder weerstand, waardoor ze daar langs zijn gestroomd.
Ondertussen  hebben wij het nog even gehad over het smelten van de gletsjers  op de Noordpool: Als al het ijs zou smelten zou dat een zeespiegelstijging teweeg brengen van  60 meter (en alleen Groenland 6 meter).

In onze groep werd opgemerkt dat het zand verschillend van kleur was: Dit komt doordat het één dekzand (Geel) is en het andere vermengd is met de podzollaag door verstuiving (Grijs).
In Drenthe zijn er mogelijkerwijs 2500 mogelijke Pingo (Groeiende Berg) ruines te vinden.
Toen waren wij aangekomen bij de “cirkel”. Dit gebied is onderzocht door Enno  Bregman. Hij heeft ontdekt dat  hier  geen sprake is van een Pingo, maar een  ophoping van een enorme berg ijs, die daar een tijd stil gelegen heeft  en de wallen  van erosiemateriaal en zand heeft achtergelaten. Hier zijn ook  de overblijfselen van de nederzettingen van de Rendierjagers gevonden zijn.
 (De Havelterberg is ongeveer  19 meter hoog, de bodem van de cirkel is 4 meter hoog en de hoogte van de wal varieert tussen  5 en 7,5 meter.)
 

Verder hebben wij nog even stilgestaan bij een aantal recentere landschapssporen: Een kaveltje waar iemand een boerderijtje/ontginninkje heeft proberen  te beginnen.

Hierna zijn wij langs hunebedden gekomen. Deze zijn hier  zo’n 6000 jaar geleden gebouwd.  Deze graven liggen net buiten het bebouwde gebied van  de toenmalige bevolking. Ze liggen echter wel aan een doorgaande weg, zodat anderen konden zien dat dit hun leefgebied was. Men woonde aan de Zuidflank van de stuwwal, waar de weersomstandigheden gunstiger zijn. Tijdens de 2e wereldoorlog is het ene hunebed bedekt geweest met Zand en is de andere begraven geweest om de geallieerden te desorienteren, zodat men deze objecten niet kon gebruiken om te navigeren. Na de 2e wereldoorlog is deze naar met behulp van  foto’s van mijnheer Van Giffen  gerestaureerd.

Hierna zijn wij de stuwwallen weer op gelopen, waar wij langs een tiental grafheuvels zijn gekomen. Deze stammen uit 500 BC tot even na het begin van de jaartelling. Dit terrein wordt regelmatig gemaaid opdat men de grafheuvels goed kan zien.  Ook hier in de buurt zijn weer veel bomkraters te vinden.
 
De groep van  Guido, onze groep was 2 minuten voor 12 terug,(te vroeg), maar de andere groep was reeds gevlogen, die waren er 10 minuten eerder. Alleen Jan was er nog.
Het was wederom een erg leuke en leerzame excursie.

Verslag Tienes Bouman

woensdag 24 januari 2018

Geologie en morfologie

Verslag 24 januari,

19.30 uur: De avond begint met het natuurmoment van Harmen over geuren.
Zijn presentatie illustreert zijn passie voor hout. Hij geeft 4 soorten hout
door aan de groep, en nodigt de groep uit de takjes te breken en eraan te
ruiken. De geur van pas gezaagd hout is bij twee soorten duidelijker dan bij de
andere twee. Harmen heeft ons vogelkers, dennenhout, beuk en eik ter
identificatie gegeven.


19.40 uur: Guido neemt ons mee naar de verschillende ijstijden. Hij laat een
tabel zien van de laatste 3 miljoen jaar van de aarde (Kwartair:
ijstijden en tussenijstijden). Hoe is de aarde in die tijd gevormd, en wat zie
je daarvan aan de bovenkant, in het landschap terug.

De wetenschap die hieraan ten grondslag ligt, is nog steeds volop in
ontwikkeling. Pas 100 jaar geleden ontdekte men aan de hand van krassen in
gesteente bij Berlijn dat gletsjers in de voorlaatste ijstijd tot diep in Europa
zijn gekomen.

Verplaatsing van massa’s ijs nam grond en gesteente mee (morene), aan de
onderkant van gletsjers werden deze stenen fijner gemalen en vermengd met klei:
afzetting keileem. Dwarsdoorsnede van gletsjers laten jaarringen zien: in de
zomer stagneert de verplaatsing, smelt het ijs oppervlakkig en komt er een laag
aarde overheen.

In het Elsterien bedekte de gletsjers alleen Noord-Nederland: hier
afzetting potklei. In het Saalien bedekte het landijs half Nederland. er
ontstonden stuwwallen: in Noord Nederland bij Havelte, Gaasterland, Zuidwolde.

Stenen uit Scandinavië vind je overal terug waar het landijs heeft gelegen, maar
ook rivieren als de Rijn en de Maas namen heel veel stenen (kleinere, grind) mee
uit hun brongebied en werden in brede rivierdalen gedeponeerd. Het ijs lag op
diverse momenten stil, later schoof daar dan een nieuwe laag ijs overheen, en
nam stenen vanuit noordelijker streken in Scandinavië mee.

IJstongen graven zich in in het rivierdal, duwen de grond en het grind opzij. Je
ziet in het IJsseldal dat de Veluwe van laag naar hoog gaat: de grond wordt door
de gletsjertong opgedrukt. Later zal deze hoogte door erosie weer lager worden.

Door het smelten van ijs ontstonden meren en ijsrivieren, die westwaarts stromen
richting een gebied met onderdruk, onder druk van het afkalvend ijs. Deze
ijsstroom veroorzaakt ruggen en dalen. Door rivieren die weer gingen stromen
werden stuwwallen “onthoofd” .  Aan het eind van de ijstijd ontstaat het
Dwingeldermeer, gevuld met morene, keileem etc. Het meer breekt later door
richting zuidwesten: Dwingelderstroom.


In de tussenijstijd (het Eemien) wordt het weer warmer en breiden planten
en bomen zich noordwaarts uit, en komen zo weer terug in Nederland.

In het Weichselien had Nederland een toendraklimaat (permafrost). Men
spreekt van een arctische woestijn. De Noordzee lag op dat moment droog. Het
waaide er behoorlijk en het kale land werd bedolven onder een dikke laag
dekzand. Op vochtige plaatsen (beekdalen) hoopte het zand zich op en ontstonden
dekzandruggen. Er liepen mammoeten en mammoetjagers door Nederland.
Er ontstonden pingo’s, ijsheuvels die tot 100 meter hoog en 500 meter doorsnede konden worden. (Een zwakke plek in de keileemlaag liet kwelwater naar boven komen dat onmiddellijk bevroor, maar de aanvoer van water ging door).


Het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden):

  • de Noordzee vult zich
  • vorming van veengebieden
  • afzetting beekgronden                                                                                    

Door overexploitatie van gronden door de mens ontstaat stuifzand. Uit het feit dat sommige grafheuvels óp stuifzand liggen kun je concluderen dat dit stuifzand al vóór de bronstijd ontstaat. Je ziet het verschil met dekzand, doordat stuifzand witter van kleur is. Op heidevelden zie je reliëf komen, door verstuiving ontstaan dalen, en vennetjes op keileemlaag blijven hoger en vervenen. (waardoor nattere gebieden hoger kunnen liggen dan drogere).

21.15 uur: Tienes houdt 5 minutenpraatje over het Vechtdalgebied. Dit sluit mooi aan op de lesstof die Guido behandelde: het Vechtdalgebied en het Reestdal liggen samen in wat vroeger een oerstroomdal was. Hij laat kaarten van het gebied zien, en vertelt over het zandbeekje de Reest en de afwateringsrivier de Vecht.


21.20 uur: Guido heeft tassen vol geologische en fysisch-geografische kaarten meegenomen die we mogen bekijken.



21.55 uur: sluiting.

Verslag: Marie José Blans

zaterdag 13 januari 2018

Verslag Excursie Diersporen


We ontmoetten elkaar op zaterdag 13 januari bij de parkeerplaats van “De Hoekenbrink” aan de Bosweg in Diever. De Hoekenbrink is een 75 hectare groot natuurgebied in het Nationaal Park Drents Friese Wold dat in eigendom is van Staatsbosbeheer. De Hoekenbrink wordt in een aantal jaren getransformeerd tot een andersoortig terrein met veel heide en vennetjes. Er grazen schapen en runderen.

 We waren blij dat ook Aaldrik Pot aanwezig kon zijn om ons met zijn enorme kennis van diersporen te helpen leren kijken en belangrijke aanwijzingen te geven om zelf meer te gaan zien.

Diersporen definieert de Nederlands experts Annemarie van Diepenbeek als: …”tekenen die dieren hebben achtergelaten op een plek waar ze iets (belangriks) deden of alleen passeerden”.

Vanwege de groepsgrootte werd besloten om de groep in tweeën te verdelen waarbij een groep met Aaldrik Pot op onderzoek uitging en de andere groep ging spoorzoeken onder leiding van Jan Nijman en Joop Verburg. Halverwege zouden de groepen van begeleiders wisselen. Ik behoorde tot de tweede groep en begon de excursie dan ook op een andere plek en onder andere begeleiding.



Onze groep startte met de opdracht om zelf maar eens al wandelend te zoeken naar sporen van dieren. Zo liepen we over een bospad en speurden naar sporen van leven aan de kanten van het pad. Natuurlijk vonden we ook wel wat zoals aangevreten dennenappels, bladeren met de duidelijke sporen van mineerders die we herkenden na de eerdere uitleg van Elisabeth tijdens de recente cursusavond. Intensief speurden we naar dierensporen op de vochtige zandweg. Sporen die er toch zouden moeten zijn. Na enige tijd verlieten we het zandpad, klommen over een afrastering en liepen de hei op. Daar waren meer ontdekkingen te doen van zowel sporen van dieren als sporen van ander leven.
  


Duidelijk spoor van dierlijk leven.




 Ook een spinnenweb is een spoor



Ook ontdekten we ongewenste sporen van menselijk leven.

Speciale aandacht kregen natuurlijk ook de verschillende soorten keutels die we tijdens onze speurtocht tegen kwamen.
  





Van wie zouden deze keutels toch zijn? 

Wellicht geeft het boek: `Dierensporen` daar een antwoord op.


sporen van grazers.




 
We leerden dat het belangrijk is om je tijdens een speurtocht naar sporen te focussen. Alles zien kan niet en daarom is het goed om je op een bepaald iets te richten en dan ook gericht te kijken.  Je moet leren zaken te zien en te ontdekken. Dat vraagt veel training in het veld en geduld en soms ook wel geluk. Maar ook logisch denken en basiskennis helpen om die bijzondere ontdekkingen te kunnen gaan doen.
 

Wie met Joop wandelt weet bijna zeker ook weer iets van paddenstoelen te kunnen zien en leren zoals hier de prachtige vermiljoenhoutzwam.

 


In het gebied lopen schapen, maar ook reeën.

                  
Ook veren zijn natuurlijk dierensporen.
      

Dit is wel heel letterlijk een spoor van dieren





 Voor een deel van de sporen die we zagen waren deze grazers verantwoordelijk.


 
Indrukwekkende grote grazers. Goed om tenminste 25 mtr. afstand te houden leerden we.
Dat geldt in ieder geval voor de cursisten.
 



 

Mest en een holte. Dat moet wel haast het werk van een kever zijn. 

We liepen weer terug naar ons startpunt waar we de andere helft van onze groep zouden ontmoeten.
Het was de enorme woudreus met een omtrek van ruim 3.50 mtr. waar we langs liepen en die zo een belangrijk oriëntatiepunt is. Vroeger, zo las ik in een blog van boswachter Corné Joziasse, toen het gebied nog hei was, was dit het belangrijkste oriëntatiepunt.

Na enige tijd gewacht te hebben bleek het handiger toch op een andere plek elkaar te ontmoeten namelijk op de zandverstuiving.
 



Van hier vertrokken we met Aaldrik Pot voor het tweede deel van onze excursie. We merkten dat het wel interessant moest gaan worden omdat er zelfs enkele mede-cursisten waren die besloten van groep te wisselen om zo het verhaal van Aaldrik nog eens te horen respectievelijk nog meer te leren.



Aaldrik begon met ons uit te leggen dat je nooit alles kunt zien, maar moet focussen. Ook gaf hij aan dat je wel kennis van het terrein moet hebben en van hetgeen er in dit terrein aan dierlijk leven is om de aanwezigheid van sporen ook te kunnen verwachten en wellicht gerichter te kunnen kijken. Hij waarschuwde ook nog eens nadrukkelijk om voorzichtig te zijn met dierlijk materiaal waaronder ontlasting. Je moet nooit met blote handen aan keutels komen en er ook niet aan ruiken vanwege de kans op besmetting.

Aaldrik legde uit dat je aan keutels kunt zien of ze afkomstig zijn van een planteneter of van een alleseter of van een herkauwer.  Zo zijn is bijvoorbeeld fijn verteerde gladde ontlasting van een herkauwer. Er zijn veel verschillende verschijningsvormen van dierlijke ontlasting veroorzaakt door de voeding. Er zijn ook dieren die profiteren van die afvalstoffen zoals bijvoorbeeld de mestkever.
Vervolgens vertelde Aaldrik het een en ander over pootafdrukken of zogenoemde prenten.

Hij maakte een onderscheid in:
  1. Zoolgangers zoals een das, een beer, een egel;
  2. Teengangers: zoals een kat, een hond, een wolf, een vos;
  3. Topteengangers of hoefgangers: zoals een ree, een hert, een paard.
Belangrijk is te weten dat wanneer een dier snel loopt dat een heel ander beeld geeft dan wanneer een dier langzaam loopt of stilstaat.

Na de theorie gingen we het veld in. We kregen opdracht heel goed te kijken.
Ergens op een modderig stukje hielden we halt want onze gids had iets gezien. Met onze speurneuzen probeerden we dat ook te ontdekken. Na enige tijd bleek het te gaan om drie kleine puntjes die wezen op de recente aanwezigheid van een muis.
 






Onderweg werden we ook nog gewezen op veegsporen van een ree op een boompje.


Opvallend hoe gemakkelijk je aan dit soort zaken / deze sporen voorbij gaat.

Na een eind gelopen te hebben vroeg onze gids ons of ons niets was opgevallen. Toen het antwoord niet kwam gaf hij aan dat we toch wel een heel duidelijk zichtbaar en belangrijk spoor gemist hadden en liepen we terug tot we bij een grove den kwamen.

Hij vroeg ons of we een idee hadden waar al die dennenappels vandaan kwamen en waarom ze juist daar lagen. Toen we ook daarop het antwoord schuldig bleven wees hij ons op het feit dat we hadden kunnen zien dat het een zogenoemde smidse van een grote bonte specht was.

Er lag een enorme berg dennenappels en in de boom was een gleuf uitgehakt waar de specht de dennenappel in kan vastklemmen.



  
  



Zo kwamen we ook bij een boom waar wel heel verschillende diersporen in zichtbaar zijn.


 Boom met veel sporen            

Sporen van een specht, maar ook van kevers.

In deze boom zaten eerst kevers en daarna heeft de specht de larven er uit proberen te halen.




Boom met spechtengaten, maar ook met krassen van de poten/nagels van de specht.


Het was goed weer om sporen te zoeken op de modderigere plekken. We, nou ja Aaldrik dan, vond dan ook de prent van een vos,
 





Bij weer een andere boom, een den, werden we geattendeerd op de aanwezigheid van poppenwiegen van boktorren.


Het gaat hier om de poppenwieg van  grijze ribbelboktor.


Poppenwieg van de grijze ribbelboktor die ook wel gewone dennenboktor wordt genoemd. Het vrouwtje van de grijze ribbelboktor legt haar eitjes onder de schors van een dode den. Uit dat eitje komt een witte larve. Deze larve blijft onder de schors en leeft daar van het dode hout. De larve blijft een hele tijd onder de schors want pas na twee tot drie jaar is de larve volgroeid. Ze is dan een kleine 3 cm lang en maakt in dat stadium de poppenwieg. Die poppenwieg maakt de larve, onder de schors, van kleine houtsplinters die het zelf losmaakt. In het najaar verpopt de boktor in de poppenwieg. Het wordt dan een witte pop die met de pootjes op de borst op de rug in de poppenwieg ligt.

De verpopping gaat snel, waarschijnlijk een kwestie van dagen. Rond kop en borststuk wordt de pop donkerder en verandert dan in een kever. Die kever draait zich om met de pootjes op het hout, maar blijft verder rustig in de poppenwieg zitten en wacht tot het 'buiten' lente wordt. Als de temperatuur goed is werkt de kever zich naar buiten en zoekt een mannetje of vrouwtje zodat er nieuwe eieren gelegd kunnen worden. De volwassen insecten leven waarschijnlijk maar een paar maanden. De poppenwiegen die we zagen zijn dus de restanten en zijn alleen zichtbaar op die plekken op de dode boom waar de schors is verdwenen.

Na die laatste en bijzondere ontdekkingen liepen we weer terug naar het startpunt van onze excursies. Aaldrik Pot werd hartelijk bedankt voor zijn buitengewoon boeiende en leerzame bijdrage. Hij vroeg en kreeg de gelegenheid om reclame te maken voor zijn nu net verschenen dagboek, het sporenboek dat in wording is en natuurlijk voor de mogelijkheid om cursist te worden van een echte opleiding tot sporenkenner. Bij de tips staan ook de links die tijdens de reclamezendtijd voorbijkwamen.

Tijdens de wandeling onder leiding van Jan en Joop heb ik veel foto’s gemaakt met als doel er ook een aantal ter beoordeling aan Aaldrik te laten zien. Helaas liet de camera het op belangrijke momenten afweten en (b)leek de batterij leeg te zijn toen ik ze wilde tonen. Ook dat mag een les zijn voor mij als aankomend natuurgids dat je moet zorgen dat je spullen wel in orde zijn en de batterij vol! Overigens heb ik ook begrepen dat de lage temperatuur een enorm invloed heeft op de accu.
Belangrijk bij het fotografen is natuurlijk ook dat je een meetlatje of een duidelijk referentiepunt hebt om mee te kunnen vergelijken.


Misschien was wel de allerbelangrijkste les van deze morgen hetgeen een, helaas overleden bekende, voetballende Nederlander gezegd zou kunnen hebben: “Je ziet het alleen als je kijkt.”

Tips:
  1. Veldgids Diersporen van Annemarie van Diepenbeek. KNNV Uitgeverij ;
  2. Natuurwijzer Sporen KNNV Uitgeverij: 
  3. www.hetprentenboek.eu 
  4. “De onsterfelijke nachtegalen”  natuurdagboek van Aaldrik Pot en Barbara de Beaufort Uitgeverij kleine Uil, Groningen. 224 blz. € 18,50. 
  5. http://extrabushcraft.nl/


Verslag:
Adri van der Weyde
10 februari 2018.