zaterdag 13 januari 2018

Verslag Excursie Diersporen


We ontmoetten elkaar op zaterdag 13 januari bij de parkeerplaats van “De Hoekenbrink” aan de Bosweg in Diever. De Hoekenbrink is een 75 hectare groot natuurgebied in het Nationaal Park Drents Friese Wold dat in eigendom is van Staatsbosbeheer. De Hoekenbrink wordt in een aantal jaren getransformeerd tot een andersoortig terrein met veel heide en vennetjes. Er grazen schapen en runderen.

 We waren blij dat ook Aaldrik Pot aanwezig kon zijn om ons met zijn enorme kennis van diersporen te helpen leren kijken en belangrijke aanwijzingen te geven om zelf meer te gaan zien.

Diersporen definieert de Nederlands experts Annemarie van Diepenbeek als: …”tekenen die dieren hebben achtergelaten op een plek waar ze iets (belangriks) deden of alleen passeerden”.

Vanwege de groepsgrootte werd besloten om de groep in tweeën te verdelen waarbij een groep met Aaldrik Pot op onderzoek uitging en de andere groep ging spoorzoeken onder leiding van Jan Nijman en Joop Verburg. Halverwege zouden de groepen van begeleiders wisselen. Ik behoorde tot de tweede groep en begon de excursie dan ook op een andere plek en onder andere begeleiding.



Onze groep startte met de opdracht om zelf maar eens al wandelend te zoeken naar sporen van dieren. Zo liepen we over een bospad en speurden naar sporen van leven aan de kanten van het pad. Natuurlijk vonden we ook wel wat zoals aangevreten dennenappels, bladeren met de duidelijke sporen van mineerders die we herkenden na de eerdere uitleg van Elisabeth tijdens de recente cursusavond. Intensief speurden we naar dierensporen op de vochtige zandweg. Sporen die er toch zouden moeten zijn. Na enige tijd verlieten we het zandpad, klommen over een afrastering en liepen de hei op. Daar waren meer ontdekkingen te doen van zowel sporen van dieren als sporen van ander leven.
  


Duidelijk spoor van dierlijk leven.




 Ook een spinnenweb is een spoor



Ook ontdekten we ongewenste sporen van menselijk leven.

Speciale aandacht kregen natuurlijk ook de verschillende soorten keutels die we tijdens onze speurtocht tegen kwamen.
  





Van wie zouden deze keutels toch zijn? 

Wellicht geeft het boek: `Dierensporen` daar een antwoord op.


sporen van grazers.




 
We leerden dat het belangrijk is om je tijdens een speurtocht naar sporen te focussen. Alles zien kan niet en daarom is het goed om je op een bepaald iets te richten en dan ook gericht te kijken.  Je moet leren zaken te zien en te ontdekken. Dat vraagt veel training in het veld en geduld en soms ook wel geluk. Maar ook logisch denken en basiskennis helpen om die bijzondere ontdekkingen te kunnen gaan doen.
 

Wie met Joop wandelt weet bijna zeker ook weer iets van paddenstoelen te kunnen zien en leren zoals hier de prachtige vermiljoenhoutzwam.

 


In het gebied lopen schapen, maar ook reeën.

                  
Ook veren zijn natuurlijk dierensporen.
      

Dit is wel heel letterlijk een spoor van dieren





 Voor een deel van de sporen die we zagen waren deze grazers verantwoordelijk.


 
Indrukwekkende grote grazers. Goed om tenminste 25 mtr. afstand te houden leerden we.
Dat geldt in ieder geval voor de cursisten.
 



 

Mest en een holte. Dat moet wel haast het werk van een kever zijn. 

We liepen weer terug naar ons startpunt waar we de andere helft van onze groep zouden ontmoeten.
Het was de enorme woudreus met een omtrek van ruim 3.50 mtr. waar we langs liepen en die zo een belangrijk oriëntatiepunt is. Vroeger, zo las ik in een blog van boswachter Corné Joziasse, toen het gebied nog hei was, was dit het belangrijkste oriëntatiepunt.

Na enige tijd gewacht te hebben bleek het handiger toch op een andere plek elkaar te ontmoeten namelijk op de zandverstuiving.
 



Van hier vertrokken we met Aaldrik Pot voor het tweede deel van onze excursie. We merkten dat het wel interessant moest gaan worden omdat er zelfs enkele mede-cursisten waren die besloten van groep te wisselen om zo het verhaal van Aaldrik nog eens te horen respectievelijk nog meer te leren.



Aaldrik begon met ons uit te leggen dat je nooit alles kunt zien, maar moet focussen. Ook gaf hij aan dat je wel kennis van het terrein moet hebben en van hetgeen er in dit terrein aan dierlijk leven is om de aanwezigheid van sporen ook te kunnen verwachten en wellicht gerichter te kunnen kijken. Hij waarschuwde ook nog eens nadrukkelijk om voorzichtig te zijn met dierlijk materiaal waaronder ontlasting. Je moet nooit met blote handen aan keutels komen en er ook niet aan ruiken vanwege de kans op besmetting.

Aaldrik legde uit dat je aan keutels kunt zien of ze afkomstig zijn van een planteneter of van een alleseter of van een herkauwer.  Zo zijn is bijvoorbeeld fijn verteerde gladde ontlasting van een herkauwer. Er zijn veel verschillende verschijningsvormen van dierlijke ontlasting veroorzaakt door de voeding. Er zijn ook dieren die profiteren van die afvalstoffen zoals bijvoorbeeld de mestkever.
Vervolgens vertelde Aaldrik het een en ander over pootafdrukken of zogenoemde prenten.

Hij maakte een onderscheid in:
  1. Zoolgangers zoals een das, een beer, een egel;
  2. Teengangers: zoals een kat, een hond, een wolf, een vos;
  3. Topteengangers of hoefgangers: zoals een ree, een hert, een paard.
Belangrijk is te weten dat wanneer een dier snel loopt dat een heel ander beeld geeft dan wanneer een dier langzaam loopt of stilstaat.

Na de theorie gingen we het veld in. We kregen opdracht heel goed te kijken.
Ergens op een modderig stukje hielden we halt want onze gids had iets gezien. Met onze speurneuzen probeerden we dat ook te ontdekken. Na enige tijd bleek het te gaan om drie kleine puntjes die wezen op de recente aanwezigheid van een muis.
 






Onderweg werden we ook nog gewezen op veegsporen van een ree op een boompje.


Opvallend hoe gemakkelijk je aan dit soort zaken / deze sporen voorbij gaat.

Na een eind gelopen te hebben vroeg onze gids ons of ons niets was opgevallen. Toen het antwoord niet kwam gaf hij aan dat we toch wel een heel duidelijk zichtbaar en belangrijk spoor gemist hadden en liepen we terug tot we bij een grove den kwamen.

Hij vroeg ons of we een idee hadden waar al die dennenappels vandaan kwamen en waarom ze juist daar lagen. Toen we ook daarop het antwoord schuldig bleven wees hij ons op het feit dat we hadden kunnen zien dat het een zogenoemde smidse van een grote bonte specht was.

Er lag een enorme berg dennenappels en in de boom was een gleuf uitgehakt waar de specht de dennenappel in kan vastklemmen.



  
  



Zo kwamen we ook bij een boom waar wel heel verschillende diersporen in zichtbaar zijn.


 Boom met veel sporen            

Sporen van een specht, maar ook van kevers.

In deze boom zaten eerst kevers en daarna heeft de specht de larven er uit proberen te halen.




Boom met spechtengaten, maar ook met krassen van de poten/nagels van de specht.


Het was goed weer om sporen te zoeken op de modderigere plekken. We, nou ja Aaldrik dan, vond dan ook de prent van een vos,
 





Bij weer een andere boom, een den, werden we geattendeerd op de aanwezigheid van poppenwiegen van boktorren.


Het gaat hier om de poppenwieg van  grijze ribbelboktor.


Poppenwieg van de grijze ribbelboktor die ook wel gewone dennenboktor wordt genoemd. Het vrouwtje van de grijze ribbelboktor legt haar eitjes onder de schors van een dode den. Uit dat eitje komt een witte larve. Deze larve blijft onder de schors en leeft daar van het dode hout. De larve blijft een hele tijd onder de schors want pas na twee tot drie jaar is de larve volgroeid. Ze is dan een kleine 3 cm lang en maakt in dat stadium de poppenwieg. Die poppenwieg maakt de larve, onder de schors, van kleine houtsplinters die het zelf losmaakt. In het najaar verpopt de boktor in de poppenwieg. Het wordt dan een witte pop die met de pootjes op de borst op de rug in de poppenwieg ligt.

De verpopping gaat snel, waarschijnlijk een kwestie van dagen. Rond kop en borststuk wordt de pop donkerder en verandert dan in een kever. Die kever draait zich om met de pootjes op het hout, maar blijft verder rustig in de poppenwieg zitten en wacht tot het 'buiten' lente wordt. Als de temperatuur goed is werkt de kever zich naar buiten en zoekt een mannetje of vrouwtje zodat er nieuwe eieren gelegd kunnen worden. De volwassen insecten leven waarschijnlijk maar een paar maanden. De poppenwiegen die we zagen zijn dus de restanten en zijn alleen zichtbaar op die plekken op de dode boom waar de schors is verdwenen.

Na die laatste en bijzondere ontdekkingen liepen we weer terug naar het startpunt van onze excursies. Aaldrik Pot werd hartelijk bedankt voor zijn buitengewoon boeiende en leerzame bijdrage. Hij vroeg en kreeg de gelegenheid om reclame te maken voor zijn nu net verschenen dagboek, het sporenboek dat in wording is en natuurlijk voor de mogelijkheid om cursist te worden van een echte opleiding tot sporenkenner. Bij de tips staan ook de links die tijdens de reclamezendtijd voorbijkwamen.

Tijdens de wandeling onder leiding van Jan en Joop heb ik veel foto’s gemaakt met als doel er ook een aantal ter beoordeling aan Aaldrik te laten zien. Helaas liet de camera het op belangrijke momenten afweten en (b)leek de batterij leeg te zijn toen ik ze wilde tonen. Ook dat mag een les zijn voor mij als aankomend natuurgids dat je moet zorgen dat je spullen wel in orde zijn en de batterij vol! Overigens heb ik ook begrepen dat de lage temperatuur een enorm invloed heeft op de accu.
Belangrijk bij het fotografen is natuurlijk ook dat je een meetlatje of een duidelijk referentiepunt hebt om mee te kunnen vergelijken.


Misschien was wel de allerbelangrijkste les van deze morgen hetgeen een, helaas overleden bekende, voetballende Nederlander gezegd zou kunnen hebben: “Je ziet het alleen als je kijkt.”

Tips:
  1. Veldgids Diersporen van Annemarie van Diepenbeek. KNNV Uitgeverij ;
  2. Natuurwijzer Sporen KNNV Uitgeverij: 
  3. www.hetprentenboek.eu 
  4. “De onsterfelijke nachtegalen”  natuurdagboek van Aaldrik Pot en Barbara de Beaufort Uitgeverij kleine Uil, Groningen. 224 blz. € 18,50. 
  5. http://extrabushcraft.nl/


Verslag:
Adri van der Weyde
10 februari 2018.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten